De laatste zorg

‘Hoe is hij eraan toe?’ vraagt ze terwijl het nog nauwelijks tot me is doorgedrongen dat zíj het is die zomaar de traumakamer is binnengekomen, de kamer waar een stille verslagenheid hangt.

Ze kijkt naar mij, niet naar hém, die daar zo stilletjes ligt, grauw, bewegingloos en vel over been. Vanaf het allereerste begin, zeven maanden geleden, is ze al heel nadrukkelijk betrokken bij de zorg. Niet dat ze er enig verstand van heeft, nee, maar dat heeft ze ook niet nodig gehad. Liefde, dat is háár middel, daarmee hield zij hem al die tijd overeind. Met kerst had ze hem naar de gezondheidspost gebracht, ze had zich boos gemaakt toen de dokter hem niet direct naar het ziekenhuis doorverwezen had, maar pas toen de griep na een week nog niet verdreven was en hij met zijn verzwakte hart door de hoge koorts en ademnood totaal afgepeigerd was. Meer dan een maand bivakkeerde hij op de intensive care, werd vervolgens naar de beddenafdeling overgeplaatst om te sterven, maar tot ieders verbazing knapte dat draadje maar niet, dat dunne draadje waarmee hij in de wereld der levenden bungelde. Vanwege verlittekening was de functie van zijn longen zodanig aangetast dat hij continu extra zuurstof nodig had. Hij ontbeerde de kracht om het slijm uit zijn luchtpijp zelf op de hoesten. Wonder boven wonder kon hij na een halfjaar toch naar huis, maar nog geen week later wordt hij met loeiende sirenes weer naar de eerste hulp gebracht.

Het kost me een seconde of wat om het plotse verschijnen van zijn vrouw, juist op dit moment, te verwerken en woorden te vinden. ‘Hij… hij is zojuist overleden.’

‘Nee!’ kermt ze, ‘nee, nee!’ en ze werpt zich om zijn hals.

Met een schok besef ik dat de dood nog zó vers is, dat hij best nog een teug adem kan halen. Misschien is het overlijden nog niet helemaal achter de rug. Sterker nog, ik heb de dood nog niets eens zorgvuldig vastgesteld. Wat had ik dan moeten zeggen? Hij ís aan het overlijden? Natuurlijk, dat was veel beter geweest! Maar ja, daar kom ik nu pas op. Het overlijden is nu eenmaal geen geregisseerde gebeurtenis, het voltrekt zich de ene keer zus en de andere keer zo. Zijn pols was niet meer voelbaar geweest, de ademhaling was gestokt, en omdat met hem was eerder al afgesproken in geen geval te reanimeren kon ik hem alleen maar de tijd geven, die paar minuten die nodig zijn om het hele lichaam tot rust te laten komen.

Gelukkig gebeurt niet waar ik zo voor vrees. Het is alsof hij zich ervan bewust is dat hij daarmee zijn vrouw de stuipen op het lijf zal jagen.

‘Mijn liefje,’ jammert ze, ‘mijn liefje, kom terug. Kom toch terug!’

De wanhoop in haar woorden dringt door merg en been. Tranen wellen in me op bij de warme innigheid waarmee ze zijn hoofd zachtjes oppakt, op zijn voorhoofd kust en hem tegen haar borst aandrukt. Ik denk aan mijn aanstaande huwelijk en wens dat, wanneer het mijn tijd zal zijn, ik op net zo’n manier aan de borst van mijn geliefde zal mogen overlijden.

Ik probeer altijd een zekere plechtigheid in stand te houden als de dood het stokje overneemt bij een van mijn patiënten – nee, dat probeer ik niet, dat gaat vanzelf. Een arts hoort ruimte te geven voor de gevoelens van de nabestaanden, maar het is niet de bedoeling dat de dokter zijn eigen tranen de vrije loop geeft. Ik probeer als het ware een kussentje te bieden, een kussentje voor de steun, een kussentje ter verzachting, een kussentje ook om het overlijden op te presenteren als een kostbaarheid. Toch komt het vaak genoeg voor dat het verdriet zich nestelt in mijn borst, want zo voelt het, de pijn van een koude steen in mijn hartstreek. Want dat is ook zo: als de rol van de dokter is uitgespeeld, is het de mens die ertoe doet. En nu, nu vecht ik tegen de tranen.

De verpleegkundige wrijft over de rug van de vrouw. Zelf sta ik ellendig te zijn aan zijn voeteneind, de armen langs mijn lichaam, armen die aanvoelen als lood, zwaar en onmachtig. Dan draait ze zich naar me toe en valt mij om de hals. ‘Wat fijn dat je hier bent,’ zegt ze. ‘Gisteren was hij nog in zo goede doen, zo gelukkig…’

De volgende dag bel ik haar om te vragen hoe het gaat. Ik heb met de artsen gesproken die nauw bij zijn behandeling betrokken waren geweest. Het mocht een wonder heten dat hij nog een week thuis had kunnen doorbrengen, was de algemene conclusie. Het hele gesprek wacht ik op een vraag waarvan ik vermoed dat die speelt. Ze stelt hem pas als ik hem eigenlijk allang beantwoord heb, om het laatste restje twijfel weg te nemen.
‘Had hij nog geleefd als ik eerder aan de bel had getrokken? Was er dan nog iets aan te doen geweest?’

Dan vertel ik hoezeer ik getroffen was door wat ik de dag ervoor had gezien, de liefde waarmee ze zich had ontfermd over zijn dode lichaam. ‘Als er één ding is waar ik zeker van ben,’ zeg ik, ‘dan is het dat geen duizend dokters en verpleegkundigen de zorg hadden kunnen leveren die hij kreeg in de laatste week van zijn leven, de week dat hij thuis was.’

Share on your network:
Share

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *