De epische bokspartij die de lente reduceert tot een haast onverstaanbaar woord

Onder invloed van de snel lengende dagen – een uur per week-, de berichten uit het Zuiden, waar de eerste bloemen al ontluiken, waar vogels nesten, onder invloed van het getwetter en de wind die sterker wordt, maar ook warmer, gaat bij mij in maart het knopje om. De Lapse winter kon me maandenlang niet streng genoeg kon zijn, het werd me nooit te koud of te wit, zelfs de duisternis deerde me niet, maar nu heeft diezelfde winter opeens lang genoeg geduurd. De wegen liggen echter nog onder een laag sneeuw, die op zonnige dagen drabbig wordt, drekkig haast, en die er dan uitziet als het braaksel van onze vroegzwangere moeder natuur, onverteerde brokjes ijs bijeengebonden door een substantie van modderig water, zand dat gestrooid is op dagen dat de wegen nog spiegelglad waren. De loipe, de langlaufroute, wordt traag, maar toch is de winter nog niet voorbij: de meren zijn bedekt door een dikke laag ijs en een even dikke laag sneeuw daarbovenop. Er zitten mensen te ijsvissen, er glijden langlaufers over die witte vlakten en sneeuwscooters, en dat is allemaal al zo lang zo dat het onvoorstelbaar is dat daar ooit nog verandering in komt.

Maar toch: er is licht, er is kleur; de pijnbomen, die tot voor kort nog als zwarte, levenloze lettertekens van een vreemde, onbegrijpelijke taal in het witte landschap stonden, zijn nu heldergroen opgedost en de bast glanst als opgepoetst koper. Met het licht is ook het leven teruggekeerd. De stilte is het zwijgen opgelegd door meesjes en vinken die in opperbeste stemming verkeren, kinderen glijden in sledes gillend van de heuvels en hun ouders zitten hand in hand bij het raam met een kop koffie, opnieuw verliefd.

De sneeuwvelden schitteren in de zon alsof er helemaal geen tegenstelling bestaat tussen die elementen, het zonnevuur en de ijskristallen, maar verborgen onder die witte schijn verzamelen druppels zich in minuscule stroompjes die zich een weg banen door de verder nog bevroren grond, samenvloeien in een donkere, ondergrondse stroom die zich op zijn beurt weer een weg naar boven baant, de sneeuwlaag her en der doet verzakken, openbreken. Ook al vriest het vannacht weer en de hele komende week, ook al valt er straks weer sneeuw – de overgang van winter naar zomer heeft veel weg van een epische bokspartij die de lente reduceert tot een haast onverstaanbaar woord – , het is onvermijdelijk dat die zwarte stromen al het wit op den duur verzwelgen, inslikken en verorberen.

Nog een maand en dan breekt de rivier open, dan zal het lichaam van de man die in zijn wanhoop midden in de winter van de brug in dat enige wak van de rivier sprong komen bovendrijven. Ja, dat is het voorjaar dat ons wacht, hij zal op de wekenlang aanhoudende stroom van ijsschotsen meedrijven naar de zee, met steeds hogere snelheid, onder druk van al het smeltende sneeuw op het land. Zijn dood, die zo stil was, zal aanzwellen tot een gewelddadig, razend geweld dat alles meesleurt wat hij in zijn vingers krijgt, steigers, bootjes die niet op tijd op het droge waren getrokken.

Zo manifesteert de Lapse lente zich, zo zal zij zich doen gelden, hoewel de winter nog haar sporen nalaat, hardnekkige sneeuwresten op schaduwrijke plekken in het bos, tot de zomer al is aangebroken, de zomer die zich dan vergrijpt aan de zuidelijke heuvelhellingen waar witte en gele bloemknoppen ontluiken, oh, de zomer die de berken met een frisgroene penseel toucheert en in het moeras katoenachtige pluizen aanbrengt.

Maar ach, dat alles laat nog even op zich wachten.

Share on your network:
Share

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *