|
|
Collateral damage noemen ze dat. De vele botbreuken door de gladde winter en de Moskouse ademnood door de vele bosbranden. Noem het Gods toorn, of geloof dat het door global warming komt, een te hoge CO2 uitstoot. Laten we hopen dat Nietzsche gelijk had met de woorden dat God dood is, dat de rampen slechts voortkomen uit onze praktische fouten die het milieu schaden. Maar ik weet wel beter. We leven in tijden van oorlog, met God als vijand.
Er was een tijd dat ik niet geloofde. Darwin schreef zo mooi en begrijpelijk, evolutie was mijn religie. Wie de bijbel geschreven heeft, is in anonimiteit gevlucht. Niks geen copyright. Een financiële misser? Nee, eerder een bewijs van een heldere blik op de pikzwarte toekomst. Er is nu al tweeduizend jaar niets wezenlijks meer over God geschreven. Tweeduizend jaar, een schijntje misschien vergeleken met de eeuwigheid, maar toch voldoende om die huichelachtige, ijdele God woedend te maken. Zijn we hem vergeten? En die Blatter neemt ondertussen de macht in handen!
De mens is gaan hardlopen. Dat is maar goed ook, want hij kan het natuurlijk nooit winnen als de Schepper met hem de strijd aanbindt. Dan maar wegwezen!
Arme ik, ik heb hem doorzien. Vergeten was ik, dat Hij gedachten kan lezen. Had ik ze maar uitgesproken, in het Nederlands, wat zo’n seniele, eigengereide geest niet verstaat – en zeker niet wanneer uitgesproken met mijn zachte ‘g’. Maar mijn gedachten zijn geen geheim voor hem en zo vernam hij dat ik in training ging om te vluchten voor zijn toorn.
In de winter strooide hij sneeuw over de velden, maar vooral over de wegen, om me het lopen te bemoeilijken. Dat werkte deels, want ik raakte geblesseerd. Maar genoeg was het niet. In de maanden daarna zette hij meer en meer in om mij te ontmoedigen. Hagel, hitte en bliksem, maar dat alles heb ik doorstaan.
Hier in de bossen kwam ik reeën tegen. Aanvankelijk vluchtten ze, maar later liepen ze met me mee en nu zoeken ze me op. Mij, de pochende hardloper, die het opneemt tegen zijn Meester. Ik werd verleid tot een dans met Capri. Maar, uit de reconstructie is gebleken dat ze iets bij zich droeg. Capri, een ree als het Paard van Troje. Dat ‘iets’ was een teek, het wapen met een nieuwe, venijnige kogel: de spirocheet. Nietzsche, ook hij zou gedood zijn door een spirocheet (de Treponoma Pallidum). Een goed wapen tegen Godsverachters, moet Hij gedacht hebben.
Zijn kogel raakte me in het been. De spirocheet drong binnen en zwom door de lymfebaan naar boven, klaar om me van kant te maken. Op de huid bleef slechts een rode vlek over, die zich langzaam over mijn been verspreidde als de golven wanneer een steen in het water valt. In een mum van tijd lag ik te kermen van de pijn, kon ik niet opstaan uit bed en mijn zweetklieren leken het leven in de vorm van water uit mijn lichaam te willen pompen.
IJlend van koppijn en ellende greep ik een pot ibuprofen, die door een gelukkig toeval doxycycline bevatte, en zo wist ik me te redden van de ziekte van Lyme.
God wordt seniel en kent meer en meer gebreken. Hij mag dan wel winnen in zijn leeftijdscategorie maar ik ben hem opnieuw ontvlucht.
Met het gezicht naar me toegedraaid staat ze daar, half verscholen tussen de bomen. De regen van zojuist geeft haar roodbruine zomervacht een doffe glans. Een vragende blik, die het midden houdt tussen angstig en uitdagend, alsof ze hoopt ten dans te worden gevraagd. Druppels gevangen in bladeren breken het licht van de doorbrekende avondzon als een discobal. Op aangeven van de specht stap ik op haar toe. Mag ik je Capri noemen?

Even lijkt ze te aarzelen. Was de vraag wel aan haar gericht? Een ruk met het hoofd en daar gaat ze, in vloeiende passen, sprongen, zwieren, begeleid door een krekel die haar vleugels droogstrijkt. Haar verlegenheid schudt ze van zich af, om plaats te maken voor trots en gratie.
De wolken zijn nog niet verdreven maar hullen het bos in een sprookjesachtige duisternis. Licht is pas mooi als er schaduw is. Het bos is groener, bruiner en lijkt meer te ademen. Lucht waar je je longen mee vol pompt, waar je liefde uit put. En troost.
Troost kan iedereen wel gebruiken, ook zonder verdriet. Van troost word je vanzelf een beetje verdrietig. Oog in oog met Capri schieten me de tranen in de ogen. Pijnscheuten als speerpunten in het hart. Waarom? Je kunt om van alles verdrietig zijn. Om gemiste kansen, om verlies, maar ook door liefde en geluk.
Net als liefde kan hardlopen pijn doen, maar ook voldoening geven. Soms geeft pijn juist een geluksgevoel en een andere keer kan voldoening verdrietig maken. Daarom probeer ik het hardlopen maar te zien als een dans, die blijft voortduren tot je er uitgeput bij neervalt.
Mijn dans met Capri was echter van korte duur want al snel werden we betrapt door haar broer. Schaamde ze zich, of was het een ontwaken in de werkelijkheid? Reeën zijn geen mensen, en horen zich ook niet met mensen in te laten. Toch kun je de werkelijkheid soms even vergeten. Die momenten, gestolen uit een droomwereld, kun je je leven lang bij je dragen, om moed uit te putten. Moed, om het lopen voort te zetten als de duisternis valt.
Doordat de wedstrijd in Voorthuizen wegens een weeralarm werd afgelast moet ik mijn come-back uitstellen. Een wedstrijdplanning volgt binnenkort!
Het was op een doordeweekse avond dat de hardloper verdwaalde in het bos – min of meer vrijwillig omdat hij op zoek ging naar het onbekende door de paden te nemen die hij altijd links (of rechts) had laten liggen. Het was een zomerse dag geweest, een drukkende warmte deed hem de koelte van het bos opzoeken.
De hemel verschool zich achter het bladerdek van de zomerse gedaante van de bomen. Zo kwam het dat hij niet wist wat zich boven hem afspeelde. Donkere wolken pakten zich onheilspellend samen. De langzaam inzettende duisternis weet hij aan de dicht op elkaar staande bomen en het tijdstip op de avond, de cijfers op zijn digitale horloge telden maar door. Vogels trokken zich terug in hun nest en hielden zich bedaard, alsof ze daarmee het gevaar konden afwenden. Windstoten vertaalden zich in een geruis van bladeren in de toppen van de bomen. Een ree negeerde de hardloper door een tiental meters vóór hem het pad over te steken. Op de vlucht leek ze, een schuilplaats zoekend voor een onzichtbare dreiging.
Pas aan de rand van een heide werd hem duidelijk wat hem te wachten stond: deze zomerse avond zou een onweer inluiden dat zijn weerga niet kende. De lucht boven het bos leek geschilderd van een palet donkergrijze tinten, dat deed denken aan de lucht op de schilderijen in het Rijksmuseum, waarop fiere driemasters huizenhoge golven bedwingen. Een fractie van een seconde lichtte de heide op, gevolgd door een luid geroffel.
Zijn vader had hem vroeger altijd gewaarschuwd niet onder bomen te schuilen bij onweer. Maar een boomloze plek zoeken in het bos is lastig, en is men op de heide niet nog veel kwetsbaarder? Hij sloeg op de vlucht, net als de ree, op weg naar zijn schuilplaats. Door het bos, de kortste weg naar huis.
Opeens brak de hemel open en goot haar water uit over het bos. Al snel vormden zich stroompjes op de paden en in een mum van tijd werd het bos een Amazonedelta in het klein. Bliksemschichten vlogen om de haverklap door de lucht, en de donder leek een eindeloos gebulder. Zijn voeten werden zwaar door de doorweekte schoenen, maar hij besefte dat het juist nu van belang was de snelheid te bewaren. Want bij een hogere snelheid is de zweeffase van de pas langer en zolang je de grond niet raakt kan de bliksem je niet deren. Plotseling
Flits en Knal!
en dan niets
Heel subtiel begint daar een voorzichtig bewegend beeld – een soort televisie op het scherm van een mobiele telefoon-formaat. Het beeld wordt geleidelijk groter tot het hem als het ware omsluit. Een film, waarin hij zichzelf herkent als de hoofdrolspeler. In de zandbak met zijn broertje, op de fiets met zijwieltjes, hoe hij steeds beter wordt met knikkeren tot de knikkers niet meer in de zak passen en hij ze vervolgens allemaal verliest in één partijtje….
Het beeld vervaagt en maakt plaats voor hoofdpijn. Voorzichtig gefluit van een vogeltje. In de modder van een beregend bos hervindt hij zich en voelt niets dan vreugde en een gevoel van onoverwinnelijkheid. Het vervolg van zijn weg is geen gouden weg maar de diamantweg – vajrayana. Hij, die de bliksem heeft overleefd, zal in geen mens de meerdere erkennen.
Damascus is a paradise
where the stranger forgets his homeland*
Na een lange reis ga ik op audientie bij de koning van Syrie, om een brief van onze koningin aan te bieden. De afstand tussen Amsterdam naar Damascus heb ik hardlopend afgelegd, om de afstand tussen Oost en West weer tot menselijke proporties terug te brengen: vijfduizend kilometer in honderd dagen. Duizenden jaren geleden waren het de kruisvaarders die de verhoudingen op scherp stelden. Sindsdien zijn er tijden van wederzijds gedogen geweest, maar de rivaliteit tussen christendom en islam lijkt de laatste jaren opnieuw tot een diepe kloof tussen Oost en West te hebben geleid. Mijn reis is een vredestocht, met hetzelfde eindpunt als de tweede kruistocht.
Ik ben een dromer. Als kind reisde ik in mijn fantasie de wereld over, voer als de kleine kapitein over zeeën en langs eilanden. Als het stormde klom ik in de boom, hield me vast aan de zwiepende takken en stelde me voor hoe de Nooitlek de oceaan bedwong. ’Land in zicht!’ Aan het begin van het nieuwe schooljaar mocht iedereen voor de klas vertellen waar hij op vakantie was geweest. Voor mij geen buitenland, want de dieren thuis konden ons niet missen, maar ze moesten eens weten wat ik had meegemaakt!
De afgelopen weken waren mijn dromen een stuk betrekkelijker. Een hamstring heb je niet tot je er klachten van krijgt -net zoals een knie of een achillespees. Tenminste, je was je nooit bewust van dat onderdeel van het bewegingsapparaat. Dan ga je je opeens realiseren hoe gelukkig je jezelf mag prijzen dat je volle kracht tegen heuvels en duinen kon oprennen, op maximale snelheid rondes over de atletiekbaan kon koersen en met eindeloze duurlopen de hele Veluwe kon doorkruisen. Dan fantaseer je over die trainingen, die achter je liggen maar misschien ook wel voor je. Het hele lichaam smacht naar die manier van voortbewegen die zo uniek is voor de mens: het hardlopen. De droom bestaat dan alleen nog maar uit afwezigheid van de belemmering en de pijn.
Revalidatie suggereert een eenrichtingsweg terug naar de gezonde staat van het lichaam. Maar voor chronische blessures is de werkelijkheid vaak toch harder. In het herstel gaan dingen mis. Vooruitgang geeft hoop, hoop geeft ambitie, en die ambitie laat je in de val trappen want je ambitie heeft geen geduld. Mijn revalidatie was een aaneenschakeling van hoop en tegenslag, maar de laatste weken is er toch een duidelijke progressie. De droom van pijnloos lopen vervaagt weer omdat ze werkelijkheid wordt. Daarvoor in de plaats komen weer nieuwe dromen.
Zoals de droom van Damascus: halverwege de zomer vertrek ik om dagelijks zo’n vijfig kilometer af te leggen. Voor overnachtingen en eten neem ik geen geld mee, maar vertrouw ik op de gastvrijheid van de boeren die ik onderweg tegenkom. Misschien dat ik een kinderwagen met kampeerspullen mee neem, zoals de ultraloper Peter Rietveld die zo van Parijs naar Amsterdam liep. Of misschien krijg ik iemand zo gek mee te fietsen voor gezelschap en ondersteuning. Want Damascus is een heel eind weg.
*Abu l-Hasan Ali
Vanuit de tractor kijkt hij uit over zijn land. Zon en regen wisselen elkaar goed af, dit voorjaar. De weiden zijn uitzonderlijk groen en de akkers liggen er vruchtbaar bij – zoals mijn vrouw 10 jaar geleden, denkt de boer met een stiekeme glimlach. Vanavond moet er bemest worden, dus verwondert hij zich niet lang over de olympische trein die over het enkele spoor rijdt. Normaal tuft hier alleen een stoptreintje tussen de velden, van Zwolle naar Emmen en weer terug. De oranje gekleurde trein versierd met portretten van olympische helden is hier trouwens wel eerder geweest: verleden jaar rond dezelfde tijd, en een jaar eerder trouwens ook al.
In die trein zit ik, me klaarmakend voor het lopen van de Station-tot-Stationloop. Na een kopje koffie op het station van Dalfsen grijp ik de laatste mogelijkheid om op tijd aan de start te verschijnen in Ommen. Net als vorig jaar en het jaar ervoor.
Wat compleet anders is, is mijn wedstrijdplan. Vandaag zal ik de wedstrijd over laten aan de anderen, terwijl ik er zelf een duurloop van zal maken. Tenminste, als ik de strijdlust weet te onderdrukken. Want, hoewel ik het besluit al heb genomen, gedwongen door een hamstringblessure waarvan ik inmiddels herstellende ben, knaagt het al dagenlang: ‘dan loop ik over dat geliefde parcours over fiets- en wandelpaden, dwars door de Vilterse molen heen, over de weg en over de Vechtdijk, terwijl ze voorin misschien wel mijn parcoursrecord breken’.
Als ik Leon Sanderman bij de start even vraag hoe het met hem is antwoordt hij kort, zonder de wedervraag te stellen. Dus weet hij niet dat het nog niet goed genoeg gaat om een bedreiging voor hem te vormen. Na de wedstrijd hoor ik dat koplopers Leon en de uiteindelijke winnaar Jan Paalman de hele wedstrijd verwachtten dat ik ze zou inhalen. Misschien dat Leon hier een les uit leert: vraag je concurrenten altijd hoe het gaat – niet zozeer uit beleefdheid maar uit eigenbelang, zodat je weet wat je kunt verwachten.
Na het startschot gaat mijn eerste kilometer wat harder dan gepland, in 3’30. Zo kan ik op gepaste afstand zien hoe de koplopers in 3’00 doorkwamen, zodat ik met gerust hart verder kan lopen: die snelle start zullen ze later moeten terugbetalen dus blijft mijn parcoursrecord redelijk veilig.
Daar loop je dan, met startnummer 1 midden in het wedstrijdveld. Loper na loper laat ik passeren, onder wie zelfs enkele dames. Al die lopers lopen me in stilte voorbij, de blik op oneindig, alsof ze aan een onzichtbaar koord worden voorgetrokken. Een enkeling hijgend, een ander stampend en weer een ander met de armen zwaaiend alsof hij met een zeis de velden bewerkt. Ik kijk ondertussen uit over dezelfde velden als de boer en bedenk me dat het toch wel een goede lente moet zijn voor de boeren op het land.
Het applaus van toeschouwers langs de kant striemt als de zweepslagen van een koetsier op de rug van een sloom paard: vooruit! Ondanks dat herinner ik me mijn missie en kan langzamerhand meer en meer genieten. Het is tenslotte een heerlijk hardloopweertje en ik loop door een prachtige omgeving.
Met nog 5 kilometer te gaan staat er een jongetje alleen langs de kant van de weg aan te moedigen: hup hup! Dat voelt dan voor het eerst echt bemoedigend! Op een lenteavond komen daar plotseling in een uur tijd duizend hardlopers voorbij en een politiemotor. Dat moet toch machtig zijn, als je aan de Markeweg bij Hessem woont?! Bij de volgende bocht staan tientallen mensen en probeer ik te laten zien dat ik geniet: even lachen en een hand in de lucht.
Na de finish in Dalfsen heb ik nog even de gelegenheid om Jaqueline Rustidge en Jan Paalman te feliciteren, de winnaars van deze editie. Mijn record heeft stand gehouden. Een biertje nog, en dan is het weer mooi geweest. De trein komt me halen om me bij een ander station weer af te zetten.
Foto door Jan
Laatste deel van drieluik “Hardlopende Vrouwen”
Er zijn vrouwen die bewijzen dat topsport niet voorbehouden is aan mannen. Vrouwen die door toewijding en passie hun sporen in het hardlopen hebben verdiend en als rolemodel gelden voor andere vrouwen. Deze afsluitende column van de drieluik over hardlopende vrouwen draag ik dan ook graag op aan drie van deze heldinnen: de Goede, de Gewone en de Gekke.
De Goede: Lornah Kiplagat
De eerste heldin is geboren in Kenia. Voor ze naar Nederland kwam hoorde ze al bij de snelste hardloopsters van de wereld – de uitkomst van uitzonderlijk talent vermenigvuldigd met uitzonderlijke toewijding. Het bijzondere van deze eerste heldin is dat ze haar gedrevenheid niet alleen gebruikt voor de sport, maar zich ook richt op de maatschappij. Door middel van haar eigen foundation zet ze zich in voor de ontwikkeling van haar geboorteland en atletiek in het algemeen en voor de vrouw in het bijzonder. Omdat Lornah Kiplagat op die manier andere vrouwen de gelegenheid geeft hun talent te benutten is zijn één van de grootste heldinnen van de atletiek.
De Gewone: Ingrid Prigge
Een andere heldin is de nuchtere en altijd positief gestemde Twentse Ingrid Prigge. Met haar motto ‘gewoon lekker lopen’ drukt ze uit was haar drijft: hardlopen is haar passie (lekker) en haar manier van leven (gewoon). Zonder uitzonderlijk talent, maar met haar positieve instelling heeft ze genoeg naam gemaakt om na Marti ten Kate de beroemdste Twentse hardloper te zijn. Daarnaast begeleidt ze als trainer/coach een groep atletes. Omdat ze zo nuchter en hartelijk is, kan de vrouw zich gemakkelijk in haar verplaatsen en dient ze als een echte rolemodel voor de gewone hollende Hollandse en daarmee verdient ze het dan ook mijn tweede hardlopende heldin te zijn.
De Gekke: Kristijna Loonen
Verguisd om haar soms opvliegende karakter heeft de oersterke Kristijna Loonen een grotere tegenstand van zichzelf dan van concurrerende hardloopsters in Nederland. De atletiekunie heeft haar ooit geschorst vanwege dat gedrag, alsof het net zo kwalijk was als het gebruik van doping. Zeker nu we weten hoe de unie destijds zelf verwikkeld was in dopingaffaires kan dit besluit als dubieus en gemakzuchtig worden bestempeld. Waarom moest de unie hier ingrijpen? Wedstrijdorganisaties hadden ook zelf hun verantwoordelijkheid kunnen nemen door eventueel startgeld naar beneden bij te stellen. De mensen die Kristijna Loonen een beetje kennen weten hoe hardlopen haar leven invulling geeft: running therapy noemen ze dat. Toen ik haar vroeger regelmatig op de atletiekbaan tegenkwam, kende ik haar als een trainingsbeest. Ze vrat wekelijks zo’n 150 kilometer, dat doen weinigen haar na. Om je volledig op het lopen te storten moet je toch wel een beetje gestoord zijn! Zijn wij lopers niet allemaal een beetje gek? Haar gedrevenheid bewijst me dat vrouwen ook bloedfanatiek kunnen zijn, en daarom is zij mijn derde hardlopende heldin.
Genoeg toewijding en gedrevenheid dus om voorbeeld aan te nemen. Ook vrouwen kunnen het joggen ontstijgen en het hardlopen tot kunst verheffen. De bovenstaande G-reeks is een min of meer willekeurig lijstje, gebaseerd op persoonlijke voorkeur. Ook Liesbeth van Selst uit Zwolle had ik kunnen noemen, omdat ze met 5u43 langzaamste loopster was bij de marathon in Rotterdam, maar waarschijnlijk met dezelfde passie liep als bovenstaande vrouwen.
Tweede deel van drieluik “Hardlopende Vrouwen”
Bij de Nederlandse Kampioenschappen crosscountry zijn dit jaar op de lange cross 50 mannen gefinisht tegenover 24 vrouwen, bij de korte cross waren de verschillen nog groter: 87 mannen versus 26 vrouwen. In 2009 hebben 81 Nederlandse vrouwen de marathon binnen 3½ uur volbracht, terwijl 244 mannen de afstand binnen 3 uur aflegden. De verschillen tussen aantallen (top-)sportende mannen en vrouwen kunnen op vele manieren worden gekwantificeerd maar de conclusie blijft telkens hetzelfde: vrouwen blijven in de topsport achter ten opzichte van mannen.
Sport, was dat niet iets voor mannen? In de tijd van de Grieken was het inderdaad voor vrouwen verboden naar de Olympische Spelen te gaan, waar mannen naakt hun krachten maten. Maar, voor vrouwen werd de Heraea georganiseerd, een hardloopwedstrijd door het stadion ter ere van Hera. Aan de eerste ‘moderne’ Olympische Spelen mochten ook alleen mannen meedoen -niet omdat de vrouw niet mocht sporten, maar omdat de traditie van de Grieken in ere gehouden moest worden. Na het succes van de eerste moderne Spelen werd die regel gelijk opgeheven, want het was ook niet de bedoeling de positie van de vrouw te ondermijnen.
Voor westerse vrouwen zijn er eigenlijk geen sociaal-maatschappelijke barrières meer voor het bedrijven van sport. Sterker nog, de afgelopen jaren is het aantal hardlopende vrouwen sterk gestegen, in absolute aantallen maar ook ten opzichte van het aantal mannen.
Waarom blijven de vrouwen dan achter in de topsport? Het antwoord is even beschamend als simpel: vrouwen zijn lui. Dat vrouwen minder sporten, of misschien met een meer recreatieve insteek dan mannen, is een vrijwillige keuze van de niet-(top)sportende vrouw. Vast en zeker is die keuze deels biologisch te verklaren: vrouwen zijn lichamelijk toegerust om te paren, te baren, te broeden en te voeden. Daarom heeft een vrouw eierstokken, een vagina en borsten. Topsport is strijd, en strijdlust is een mannelijke eigenschap. De Jeanne d’Arcs zijn nu eenmaal zeldzaam.
Waar zijn die hardlopende vrouwen dan in ‘s hemelsnaam mee bezig? Ze lopen wel maar bereiken niet de top! De gemiddelde hardlopende vrouw heeft blijkbaar niet het doel om zo hard mogelijk te rennen, maar blijft liever al babbelend hangen rond het tempo waarop de vetverbranding optimaal is. Van maart tot juni bereiden die joggende vrouwen zich voor op de zomervakantie, waarin het de bedoeling is zichzelf enigszins toonbaar aan de zon en mannen bloot te stellen op een Zuid-Europees strand.
Het ‘luie’ karakter van de vrouw is misschien ook te verklaren vanuit de evolutie-biologie. Doordat vrouwen evolutionair andere belangen hebben –daar waar de man zoveel mogelijk vrouwtjes moet bevruchten om zijn genen te beschermen, moet de vrouw ervoor zorgen dat de kinderen die ze heeft overleven –handelen vrouwen rationeler en maken hun keuzes bewuster dan mannen (hoewel vrouwen bij tijd en wijle, zeg maar maandelijks, nogal emotioneel kunnen zijn). Daardoor komt fanatisme minder voor bij vrouwen en zijn vrouwen minder geneigd zich volledig op een passie te storten. Vrouwen kiezen vaker voor een gematigd, veilig leven en minder vaak voor de spannende maar risicovolle weg. Dus halen de meiden de hoogste cijfers op school maar bereiken ze zelden de top.
Kan ik vrouwen daar ongelijk in geven? Recreatief sporten lijkt me een veel gezondere manier van sport bedrijven dan wedstrijdsport. Met topsport balanceer je op de rand van je kunnen. Aan de verkeerde kant van die grens loeren blessures en schadelijke gevolgen op de lange termijn. Bovendien, wie moet er voor de kinderen zorgen als de vrouw aan het sporten is?
Dames, volg je hart en beleef de passie van het hardlopen. Bewijs alsjeblieft mijn ongelijk door je in te schrijven bij een atletiekvereniging en met z’n allen deel te nemen aan het NK atletiek op 17 en 18 juli in het Olympisch stadion van Amsterdam, of het NK wegatletiek in Tilburg!
Eerste deel van drieluik “hardlopende vrouwen’
Op zoek naar een nieuwe uitdaging wilde ik me inschrijven voor de Marikenloop in Nijmegen, een wedstrijd waarvan ik het parcoursrecord wel met een minuut of 5 zou moeten kunnen aanscherpen. Die ambitie werd al de kop ingedrukt toen ik met het inschrijfformulier aan de slag ging, want wat blijkt: je kunt je alleen als vrouw inschrijven. De organisatie heeft alvast ‘vrouw’ aangevinkt bij item ‘geslacht’ op het inschrijfformulier.
De Marikenloop is dus een vrouwenloop en is daarmee niet enige in haar soort. Gedurende de hele lente staat er bijna wekelijks een vrouwenloop op de kalender: achtereenvolgens in Vught, Amsterdam, Beekbergen, Hilversum, Nijmegen, Kortrijk, Breda, Groningen, Rotterdam, Amsterdam en Utrecht, in het najaar volgt slechts een enkel verdwaald vrouwenloopje. En dan hebben ik het nog niet eens gehad over de Stiletto-run. Rara, waarom vinden die loopjes in de lente plaats? Ten eerste natuurlijk omdat de vrouw een mooi-weer sporter is, en ten tweede omdat ze dan mooi kan investeren in een nieuw hardloopoutfit. De vrouwenloop, dames en heren, is namelijk een commercieel verschijnsel.
Hoe moeten we ons dan zo’n vrouwenloop voorstellen? Gezellig keuvelend aan de start, drillende puddingbillen in te strakke broekjes (nieuwe kopen!), tieten die met iedere stap heen en weer bungelen ondanks de peperdure sportbeha die erop gebouwd is het vet en melkklieren in bedwang te houden. Ondertussen moet de man het ontgelden als gespreksonderwerp van die duizenden vrouwen. Bij de finish worden de uitgeputte vrouwen vervolgens opgevangen door de brave man, laten we hem Gijsbrecht noemen, net als de oom die Mariken van Nimwegen bij haar val van de dood heeft gered. Ook in sprookjes wordt de vrouw telkens weer door een man gered: een prins die draken verslaat en vervolgens de prinses wakker kust. In de Bijbel is het Eva die de appel van de slang aan neemt en er als eerste een hap uit neemt. Kortom, vrouwen veroorzaken een hoop ellende die de man maar moet zien op te lossen. Maar ja, dat heeft met de vrouwenloopjes eigenlijk weinig te maken.
Als je de websites van de vrouwenlopen bekijkt valt de kleur gelijk op: roze. Een vrouw wil geen vrouw zijn maar meisje, daarom doet ze mee aan de Utregse meidenloop en kleed ze zich in schattig roze. Je zou ze op hun kamer willen opsluiten met Barbies en My Little Ponies. De vrouwenloopjes weten daarmee commercieel succes te slaan uit de vrouwelijke wens weer meisje te zijn, om de rimpels te vergeten. Raad trouwens eens hoe de voorzitter van de wedstrijd heet: Ton (Nijmegen), Dick (Hilversum) of Gerard (Utrecht).
De vrouwenloop is dus een commercieel verschijnsel, uitgedacht door slimme mannen die snel rijk willen worden. De loopjes verbinden zich voor de vorm nog aan een goed doel, al dan niet met feministische inslag, maar belangrijker is de aansluiting met de aanvangstijd van de koopzondag. Je zou er je schouders over ophalen als het om een onschuldig verschijnsel ging, maar dat is het niet.
Waar de vrouw de afgelopen decennia heeft gewonnen door emancipatie en participatie, slaat ze nu door naar groepsvorming en uitsluiting van de niet-vrouw. De status aparte van de vrouw die de vrouwenloop creëert kan wel eens op de langere termijn een tegengesteld effect hebben, want wat let de man nu om andere wedstrijden alleen voor mannen te organiseren? Zolang het een studentikoos wedstrijdje maken we ons niet druk, maar wat nu als grotere evenementen gaat? Gaan we, net als de Tour de France, misschien mannenwedstrijden krijgen omdat die strijd nu eenmaal veel interessanter is? En zou het niet interessant zijn om de Olympische Spelen weer alleen voor mannen te organiseren, zoals in de oudheid? De vrouwen hebben immers hun eigen wedstrijdjes.
De Tietenloopjes die nu overal uit de grond schieten gaan uit van ongelijkheid en werken sekse-discriminatie in de hand in plaats van emancipatie. Niet alleen mannen worden uitgesloten maar ook minderheden als transseksuelen (mannen die zich vrouw voelen) en vrouwen met bepaalde chromosomale afwijkingen, zoals Caster Semenya. Daarom is de vrouwenloop een beschamend verschijnsel.
Vrouw, koester je positie en neem deel aan een gemengde wedstrijd, een wedstrijd die geboren is uit liefde voor het lopen, een liefde die voor mannen en vrouwen gelijk is, en niet voor een wedstrijd die bedoeld is de koopzondag op te leuken!
Als God bestaat is hij een Twentenaar. Dat is niet alleen af te lezen aan de huidige stand in de eredivisie voetbal, maar ook aan de prachtige marathondag in Enschede op de eerste onofficiële zomerdag van 2010. Een heerlijke zonnetje en geen doden.

Voor LosseVeter schreef ik een verslagje van de Enschede Marathon, waarin ik me afvraag wat vijf-en-twintig graden celcius doet met de marathon. Had de Enschede marathon wel door mogen gaan? Lees hier verder!
|
|