|
|
Na bijna een jaar zal ik alsnog worden geopereerd aan mijn knie. Op 29 februari zal orthopeed Van den Hoeven via een kijkoperatie het bot opboren om de doorbloeding van het bot te stimuleren en zo het herstel te bevorderen.
Waarom nu pas? In de zomer leek het risico groot dat bij een dergelijke ingreep het kraakbeen ernstig beschadigd zou raken. In het najaar was ik een twijfelgeval: opereren of het natuurlijk herstel afwachten. Hoewel de klachten wel zijn afgenomen, ben ik nog behoorlijk beperkt in wandelen. Nu, bij de MRI van eind januari, blijkt dat het herstel langzamer gaat dan gehoopt. Tijd dus om toch de natuur een handje te helpen.
En na de operatie? De eerste 6 weken mag ik niet belasten en zal ik dus met krukken lopen. In de maanden daarna mag ik gedoseerd de belasting opvoeren maar tot 6 maanden na de operatie mag ik nog niet aan hardlopen denken. Hopelijk kan ik in september het lopen eindelijk weer oppakken.
Voorbij de valleien van uitgedroogde rivieren, waar de ochtendzon de rode zandstenen rotswanden doet opvlammen en statige palmbomen de vreemdeling begeleiden, als ware het naar zijn laatste rustplaats. Voorbij duizenden meters klimmen, als liters zweet zijn verdampt die slechts een dun zoutlaagje op het lichaam achterlaten dat zich met het opwaaiend stof vermengt. Voorbij de tientallen geheimzinnige bochten waarmee de eindeloze weg zich over de Hoge Atlas uitstrekt, ligt een dorpje dat gedurende zes dagen wegdroomt bij het uitzicht over de vallei en de bergruggen die haar begrenzen, maar iedere donderdagochtend ontwaakt, als een hebdomadaire schizont, zodra de boeren naar de markt trekken om hun groenten aan te prijzen en nieuwtjes met elkaar uit te wisselen.
Immouzer is de eerste tussenstop voor de hardloper met zijn racefiets of, zo je wilt, de wielrenner in hardloperstenue, op één derde van de 180km die op het programma staat. Hier strekt hij even de benen en vult zijn bidon bij met cola. Niemand die zich iets van de vreemdeling aantrekt. Een boer drijft zijn geiten de auto in, waar ze blijkbaar op de achterbank mogen plaatsnemen. Boven op de auto wordt een stoel vastgebonden. De bakker pakt tien platte, ronde broden in voor zijn klant. Een kat wrijft zijn lichaam tegen mijn been, zoals katten overal ter wereld doen. Aan de straatkant blijft een hond lui in de zon liggen. Nadat ik op de markt een kopje mierzoete muntthee heb gedronken wordt me in een mengelmoes van Berbers, Frans en gebarentaal te verstaan gegeven dat ik hiervoor twee dirham dien te overleggen.
Hoewel ik af en toe onderweg door kinderen, motorrijders en geitenhoeders word aangemoedigd als ik in mijn pedalen staand het gevecht met de taaie bergen aanga, heb ik in Marokko nooit het gevoel gekregen een bezienswaardigheid te zijn. De mensen groeten vriendelijk door de hand in de lucht te steken, maar nooit opdringerig of uitbundig als vaak ten zuiden van de Sahara. Als ik even stop om wat arbeiders, die op een vergeten plek in het woeste landschap aan de weg werken, te groeten, bieden ze me aan in hun maaltijd te delen. Gastvrijheid en respect zijn belangrijke waarden in de Islam.
Een week later ben ik weer terug in Nederland, waar alles wat van buiten komt verkeerd is. Politici laten zich in de vuilste bewoordingen over elkaar uit. In Amsterdam worden toeristen door haastige fietsers van de sokken gereden. In de polders, die in de stilte van een winterse zondagochtend zo onschuldig lijken, hangt men de vreemdeling het liefst aan de schandpaal. Met verhitte woorden probeert men er de winterse koude te bedwingen. Het lijkt erop dat bij velen het geloof in een God slechts heeft plaats gemaakt voor het geloof in de waan van de dag. In die waanzin is de vreemdeling geen gast maar een indringer.


Here is no water but only rock
Rock and no water and the sandy road
The road winding above among the mountains
Which are mountains of rock without water
If there were water we should stop and drink
Amongst the rock one cannot stop or think
Sweat is dry and feet are in the sand
If there were only water amongst the rock
Dead mountain mouth of carious teeth that cannot spit
Here one can neither stand not lie nor sit
There is not even silence in the mountains
But dry sterile thunder without rain
There is not even solitude in the mountains
But red sullen faces sneer and snarl
From doors of mudcracked houses
If there were water
And no rock
If there were rock
And also water
And water
A spring
A pool among the rock
If there were the sound of water only
Not the cicada
And dry grass singing
But sound of water over a rock
Where the hermit-thrush sings in the pine trees
Drip drop drip drop drop drop drop
But there is no water

Uit: The Waste Land (T.S. Eliot, 1922)
Foto’s: fietstraining Agadir, Marokko. Kerst 2011
De teller blijft gedurende een paar minuten onder de dertig kilometer per uur hangen. Meestal word ik daar ongedurig van, maar nu niet. Hier, bij het Naardermeer heeft de tegenwind uit het oosten vrij spel. Het is tegen vijfen. Eind oktober betekent dit dat het al bijna avond is. De zon, die laag boven de horizon staat, heb ik in mijn rug. Vóór me kleurt het gras intens groen. Een paar meeuwen vliegen laag over en op het fietspad zitten wat kraaien die zich nauwelijks verroeren als ik passeer. Half verborgen tussen het hoge gras bij het water staan enkele koeien. Verder liggen her en der bunkers als grote, vierkante zwarfkeien verzonken in het land.
Op de fiets ben ik tegenwoordig in mijn element. De landschappen vliegen meestal met zo’n veertig kilometer per uur aan je voorbij, maar een liefhebber van fietsen èn van wereldse schoonheid ontwikkelt er oog voor. Het gaat erom ontspannen op de fiets te zitten. Zo ontgaat me het reekalf niet, dat op het weiland, vlakbij de bosrand, even opkijkt maar verder lekker doorgraast. Reeën zie je niet zo vaak als je fietst. Meestal houden ze zich schuil, iets verder van de bewoonde wereld, diep in het bos. Hardlopend kwam ik ze vaker tegen. Iedere keer weer bleek een ree een voorbode van goed nieuws.
Wat heb je me vandaag te vertellen, Capri? Ik kom net bij dr Van der Hoeven vandaan, de orthopeed in Naarden. Direct nadat een nieuwe MRI is vervaardigd, roept hij mij binnen. Samen bekijken we de beelden: nog steeds is er vochtophoping te zien in het bot, net onder het kraakbeen van het bovenbeen. Wel is het afgenomen. Daarmee lijkt het gevaar op het barsten van het kraakbeen (osteochondrose dissecans) ter hoogte van de soort blaar die onder het kraakbeen zat, te zijn afgenomen.
Al met al bevestigt de MRI dat er verbetering is. Enkele maanden geleden kon ik nog geen vijf minuten wandelen, dan trad een intense pijn op waar ik nog maar even mee door kon strompelen. Fietsen ging wel steeds zonder problemen, wat te verklaren is doordat alleen bij het strekken van het been de ‘blaar’ het kraakbeen van het onderbeen raakte. Tegenwoordig kan ik verder lopen. Op een gegeven moment treedt de pijn nog wel op, maar bij lange na niet meer zo intens als tevoren. Maar aangezien er nog wel vocht aanwezig blijkt, mag ik tot de volgende MRI, eind januari, nog niet hardlopen.
Op mijn vraag of ik na de blessure het lopen weer kon oppakken reageerde de orthopeed positief. Net als de sportarts trouwens, enkele maanden geleden. Zodra het vocht uit de knie verdwenen is, kan ik waarschijnlijk zonder problemen het lopen weer oppakken en op niveau terugkomen. Het kraakbeen blijkt op beide MRI’s namelijk nog gaaf. Er is dus geen sprake van chronische slijtage. Waarschijnlijk is bij een draaiing naar rechts bij het afrennen van een trapje het bovenbeen op het onderbeen gaan wringen. Dat was op 8 maart, bij een ogenschijnlijk ongevaarlijk duurloopje langs de Kromme Rijn…
In 2012 zal ik de tijd nemen om op niveau terug te komen. 2013 is een belangrijker jaar: dan wil ik me kwalificeren voor deelname aan de Europese kampioenschappen. Daar wil ik deel uitmaken van het Nederlandse team. Maar voor dat ik daar actief aan kan gaan werken zal ik nog even geduld moeten uitoefenen. Dat Capri me stond op te wachten bij het Naardermeer stemt me positief.
Zondagochtend. Onder een zeldzaam heldere oktoberhemel ontwaken op het Beursplein in Amsterdam enkele tientallen mensen die er in tentjes hebben overnacht. Uit frustratie misschien, boos omdat de bankdirecteur in een grote villa woont: Occupy Amsterdam.
Op hetzelfde moment dat de wereldverbeteraars zichzelf opwarmen met koffie die door arme drommels in Afrika is geplukt maar voor die plukkers te weinig geld oplevert om een degelijke maaltijd voor het gezin te kunnen betalen, klinkt even verderop, in het Olympisch Stadion, een schot. Op zo’n mooie zonnige ochtend in Oktober zou toch geen crimineel het in zijn hoofd halen te schieten? Nee – het is de burgemeester. Op hetzelfde moment ejaculeert het stadion een eindeloze stroom hardlopers: de marathon is begonnen.
Mensen die voor het eerst een ooit ondenkbare afstand hardlopend afleggen. Mensen die een weddenschap zijn aangegaan en met de moed der wanhoop maandenlang door het Vondelpark hebben gezwoegd. Kenianen die alles op alles zetten om de armoede in te ruilen voor faam en rijkdom. En hardlopers die er alles aan doen om hun snelste tijd te verbeteren. Kortom, allemaal mensen die voor hun kansen gaan. Dat al die mensen, die elkaar niet eens kennen, eensgezind op weg gaan en hetzelfde doel nastreven, is een indrukwekkend gegeven. Ontroerend zelfs, als je erover nadenkt.
Rond het middaguur finishen de snelste lopers, maar de uren daarna blijven ze binnenstromen. 9630 in totaal, maar liefst een derde meer dan in Rotterdam eerder dit jaar. Tienduizend mensen die samen een groter statement maken dan die paar wereldverbeteraars in de binnenstad, die hun behoeften mogen doen in de Dixi die er speciaal voor hun is neergezet.
In tijden van crisis kun je met beschuldigende vinger naar de machthebbers wijzen. Je kunt boos worden en uit wanhoop op de lelijkste plek van Nederland gaan kamperen en je kunt brieven naar de krant sturen die niet worden geplaatst. Je kunt de ellende ook laten voor wat ze is en het bos opzoeken om te gaan hardlopen. Met hardlopen verbeter je de wereld niet, maar je maak jezelf wel vrij van de dagelijkse ellende. Voel de zon je zweet verdampen, voel de wind in je gezicht en voel je voeten nat worden in de modderige bospaden.
Als de bankdirecteurs geld nodig hebben om gelukkig te zijn, laat ze het geld dan tot zich nemen. Jij laat de wereld voor wat ze is en gaat op zoek naar datgene wat belangrijk is en werkelijk gelukkig maakt. Occupy yourself!
Met enige schroom trok ik mijn onderbroek naar beneden. De huisarts zette zijn bril op het puntje van zijn neus en beoordeelde de bron van mijn zorgen. Ondertussen bedacht ik in stilte wie ik wel en niet op mijn begrafenis wilde hebben en welke muziek er zou moeten worden gedraaid. Die zoete gedachten werden ruw onderbroken door de huisarts die me met een bulderende stem meedeelde dat ik een derde bal had.
Een derde bal? Teelbalkanker, zul je bedoelen! Nee, het was een talgkliertje dat door het fietsen op het zadel was dichtgedrukt en dus het talg niet kwijt kon. Een typisch wielrenfenomeen, dat ook wel bekend staat als de Derde Bal. De mystiek van de Derde Bal was kennelijk één van de specialisaties van de arts, want met de passie van een wielrenfanaat vertelde hij me over hoe Joop Zoetemelk in zijn tijd gekweld werd door zijn Derde Bal. Ik bevond me als drieballige man in goed gezelschap en moest mijn Derde Bal koesteren. Als ik er echt veel last van kreeg kon hij nog chirurgisch verwijderd worden, maar alle zorgen kon ik overboord zetten.
Een hardloper met een wielrennerskwaal – hoe leg je dat uit? Toch heb ik mijn eigen begrafenis maar uitgesteld. Het uitvaartcentrum nam er genoegen mee toen ik vertelde dat de datum me erg slecht uitkwam – het zou immers van slechte smaak getuigen afwezig te zijn op je eigen begrafenis. Zoiets wordt je door familie en vrienden niet in dank afgenomen.
Kogelstoters, sprinters en marathonlopers. Zet ze op de fiets en kijk wat er gebeurt. Dat waren zo’n beetje de ingrediënten van de Ronde van Winsum die in september werd gehouden. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden werd de koers niet verreden in Winsum maar in Groningen en bleek de ronde een optelsom van maar liefst 51 rondjes om de kerk. Waarbij vermeld dient te worden dat een paar voetbalvelden als kerk dienden. Het was een wedstrijd die georganiseerd was door atleten voor atleten en dus werd een aangewaaide wielrenner die geen atleet bleek doodleuk naar huis gestuurd. Die moest maar met zijn eigen vriendjes spelen.
De dag begon met een proloog bestaand uit een individuele tijdrit over 1 ronde van 1 mijl. Dacht ik even lekker binnen 2 minuten te finishen, kwam er een orkaan uit het Caraïbisch gebied overwaaien die ik de hele ronde tegen had en ik dus (geheel onterecht overigens) ergens in het midden van het veld eindigde. Toen Yennick Wolthuizen dezelfde ronde reed kwam weer een orkaan overwaaien die precies de andere kant uit waaide zodat hij ‘m in de rug had en maar liefst 10 seconden sneller reed dan ik. Daarmee kreeg hij het parcoursrecord in handen.
Er moest dus wat worden rechtgezet in de 80-kilometer tellende etappe. Vijftig rondjes over die kolerebaan waar de wortels van de bomen het wegdek deden rimpelen. Al vroeg in de wedstrijd wist ik te ontsnappen en kreeg ik vier man mee: Dennis Licht (de enige met licht op zijn fiets), Olaf Bos en Robin Pieterman en… Yennick. Aardige jongen hoor, maar ik had ‘m liever een paar honderd meter achter me geweten, in het peleton.
In het eerste uur hadden we 43,2km op de teller, maar nog steeds was het gat met het peleton, waar vooral Wilfred van Holst en Sybren Mulder het snot voor de ogen, het zuur in de benen en hun benen uit het lijf fietsen, niet meer dan een halve minuut. Na zo’n 50 kilometer werden we bijgehaald en daalde het tempo tot iets wat het woord snelheid geen eer aandoet. De renners, eehh atleten, waren moe gestreden. Ondertussen waren zo’n 20 van de 30 renners, ehh, atleten, afgestapt en werden gereanimeerd, hingen aan het herstelinfuus of slikten een dubbele dosis prozac.
Voor het vrouwelijk schoon op de tribunes wilde ik nog wel even goede wil tonen, dus deed ik af en toe nog een poging te ontsnappen, hetgeen als bijeffect had dat de laatste reserves van de niet-marathonlopers toch nog even moesten worden aangesproken zodat ik in de eindsprint nog een aardige derde plek wist te bemachtigen, achter Olaf Bos en Bas Eefting. Vóór Yennick Wolthuizen welliswaar, maar de paar bonificatieseconden die dat opleverde konden het (geheel onterechte!) verschil van de proloog natuurlijk niet meer goedmaken.
Al met al een geweldige sportervaring en een unieke kans om met atleten van andere disciplines te kunnen clashen. Volgend jaar weer?
ZEIST – Wat kan hard fietsen door de bossen zo nu en dan frustrerend zijn. Vindt Thijs Feuth. De verleiding om vol in de remmen te hangen, zijn Look tegen een boom aan te kwakken en vervolgens een stuk te gaan lopen, is soms onweerstaanbaar. Waarom? Heel simpel: de 29-jarige Thijs Feuth, lid van het Utrechts Running Team, wordt het meest gelukkig van rennen in het bos. Daar mag je hem ‘s nachts zelfs voor wakker maken.
lees het interview door Jeroen Kreule verder op de website van het Utrechts Runningteam
Zo stond ik tweede paasdag alsnog aan de start. Niet bij de hele marathon, maar bij de Brooks halve marathon. Wel aan de verkeerde kant van de startlijn, en gewapend met pistool! Hoewel ik nog steeds met wandelen pijn heb en dus van hardlopen nog helemaal geen sprake is, heb ik van dichtbij genoten van de geweldige strijd en spannende ontknoping van de Dutch Battle.
Ook toen ik twee maanden geleden nog op een podiumplaats hoopte had ik een iets andere rol in gedachten dan waarmee ik nu op het podium kwam. Ik mocht er de prijzen uitreiken.
Tweeënveertig, eenentwintig, tien of vijf kilometer. Misschien ging het ondanks de warmte hartstikke goed, maar het kan ook zijn dat het wat tegenviel. De één voelt zich naderhand fitter dan ooit tevoren, de ander kan geen trappen meer belopen. Maar wat nu?
Lees verder op de website van het Stadsblad Utrecht
|
|